Voorbije dinsdagavond is mijn nonkel Reto gestorven. Ik ben er het hart van in. De grote tranenmassa is nog niet gekomen, maar ik vind het intriest. Diep intriest. Een man, 58 jaar. De jongste broer van mijn moeder. De jongste in een rij van 6 kinderen van onze eigenste bomma en bompa. De papa van één van mijn nichtjes. De man van zijn vrouw van zijn leven. Onze nonkel Reto. Hoe is het mogelijk.

Een man met een levenskracht gelijk een krachtpatser. Het blijft oneerlijk, ook al is dat het leven. Dat weet iedereen en toch wil niemand ermee te maken hebben. Althans niet in onze cultuur. Over alles wordt gesproken, maar over dit het minste.  Het verdriet en het verlies staan pal tegenover het gekakel over allerlei van alledag. Iemand die zo wil leven en zo het hart op de juiste plaats heeft staan.
Waarom niet díe mensen die het hart niet op de juiste plaats hebben staan? Dat is onethisch, maar het flitst toch door je hoofd.  Er valt ook te discussiëren over de term ‘de juiste plaats’, maar daar heb ik evenmin zin in.
Onze nonkel Reto heeft half oktober 2011 een ware levensstrijd gevoerd en hij had deze toch maar mooi overwonnen. Elke dag opnieuw erbij was een geschenk. Voor iedereen. Zoals zovelen hoopte ik stiekem op een wonder. Ze bestaan, maar zijn uiterst dun aanwezig. Mondje toe. Hout afkloppen. Elk bezoekje was een geschenk. Elk extra bezoekje net als een wonder. Elk positief bericht een zalving.
Natuurlijk koester ik mijn herinneringen. Aangezien de tand des tijds de scherpte ervan vervaagt, wil ik er hier graag eentje van vastleggen.
Nonkel Reto belde me op een donderdag. Als ik even terugtel, dan moet dat zijn geweest op 15 december. Ons tweede meisje was een paar uur daarvoor ontslagen uit intensieve afdeling van het ziekenhuis. Geveld door een hardnekkige snotziekte en nog maar net aan de beterhand. Het nachtje observatie in intensieve was een paar uur voordien weggevallen om plaats te maken voor een patiëntje dat er meer nood aan had. We stonden solidair in een ziekenhuiskamer die nog in orde werd gebracht. Ons meisje lag alvast in haar nieuwe bedje. De verpleegsters waren volop in de weer met andere zieke kindjes. Ik was nog maar net bekomen van de plotse verhuis. Had tranen gelaten omdat je als mama niet weet dat je kind hier al klaar voor is. Objectief weet je wel waarde te geven aan het verhaal van de dokters, al was het maar uit dankbaarheid ten aanzien van hen en het verplegend personeel voor de broodnodige zorgen die zij gegeven hebben.
In al die dagen had ik nooit de interesse gehad om de televisie aan te klikken. Uit tal van redenen stond die nu toch voor het eerst op. Nonkel Reto belt en ik neem op. Hij belt om te horen hoe het toch mogelijk is en hoe het met Annemie gaat. Hij belt om een hart onder de riem te steken. Hij begrijpt als geen ander dat we ons echt slecht hebben gevoeld, dat we nog ons nog maar piepklein waanden en dat op zo een moment maar één ding telt: terug gezond worden en dan je veilige thuis kunnen opzoeken.
Waar ik dit alles voor aanhaal is omdat we toen ook volledig strijk gelegen hebben van het lachen. Het idee alleen al bracht nonkel Reto zelfs niet bij de start van zijn verhaal en zijn gegiechel was toch zo aanstekelijk. Tussen het lachen en bekomen ervan door vertelde hij dat ons mama uitgerust was met een werkpak, handschoenen en een heuse veiligheidsbril, zo een grote, een echt pantser. Ons mama droeg een bladblaasmachine als chinese vrijwilliger, want dat toestel woog goed door, niemand voelde zich geroepen. Ons Gerdemie had het dus aan hare rekker. Tja, het lot van de jongste van de travakkers en dat kan tellen in tram 6!
Normaal gezien trekt nonkel Reto zelf zijn blaastoestel op gang, zo rookt de uitlaat slechts 1,5 minuut, dat moet namelijk op één welbepaalde manier gebeuren. Nu moest dus iemand anders de blazer op gang trekken, waardoor het arme tuig de hele tijd door rook in het rond pufte.  Iedereen bleef dan ook op een veilige afstand van ons mama. Omdat het toestel zwaar was, bewoog ons mama traag. Omdat het toestel bleef roken, werkte het ook niet op vol rendement. Ons mama was ongevraagd verwikkeld geraakt in een regelrechte total body work-out.  Ook de andere zussen en broer waren allemaal in de weer. Het had iets van een goed georganiseerd groepje werkmieren.
Nonkel Reto probeerde dan ook foto’s te nemen, veilig vanachter de woonkamerramen en in dit geval veilig vanuit zijn bed. Met momenten had mijn nonkel ook last van een bevende hand. Met zijn fototoestel deed hij daarom niet altijd wat hij in gedachten had. Alleszins op een gegeven moment passeert ons mama voor zijn uitkijkraam. Ze doet dat in vol ornaat, traag maar gestaag en gevolgd door haar wolk rook. Ons mama lacht naar nonkel Reto en nonkel Reto maakt blij zijn foto. Zoals een goede fotograaf betaamt, controleert hij even en blijkt niet alleen dat de flits weerkaatst werd in het vensterraam, maar dat dit evenwel gebeurde net in het midden van haar veiligheidsmasker. Die flits schittert daar, waar je een puffend, maar vriendelijke lachend gezichtje verwacht. Tegen wil en dank wordt ons mama bijgevolg de alien van de hoop genoemd en in dit volledige kader was de situatie voor onze nonkel Reto uitermate grappig geworden, dat telkens hij eraan moest denken, een spontane (schater)lachbui zijn deel was.
Zo telefoneerden we met elkaar, met tranen in de ogen. Het lachen deed ons toch zo een deugd. De wereld om ons heen stond even stil.
Dank je nonkel Reto voor dit warme moment. Het ga je goed, waar je ook bent of niet bent! Altijd in mijn hartje.